{vervolg} 

"Luiheid en lafheid zijn de oorzaken ervan dat een zo groot deel van de mensen, nadat de natuur hen reeds lang heeft vrijgesproken van leiding door anderen (naturaliter majorennes), toch gaarne het verdere leven onmondig blijft, en waardoor het voor anderen zo gemakkelijk wordt zich als hun voogd op te werpen. Het is zo aangenaam onmondig te zijn. Heb ik een boek dat voor mij verstand heeft, een zielzorger die voor mij een geweten heeft, een dokter die voor mij leefregels opstelt, dan behoef ik mijzelf toch niet in te spannen. Ik heb het niet nodig om te denken, als ik maar kan betalen. Anderen zullen dat vervelende werkje van mij overnemen. Dat het overgrote deel van de mensen de stap naar mondigheid, afgezien van het feit dat ze vermoeiend is, ook als hoogst gevaarlijk beschouwt, daarvoor zorgen wel de voogden, die zo goed zijn geweest het oppertoezicht over hen op zich te nemen. Nadat ze hun tamme vee eerst dom hebben gemaakt en zorgvuldig voorkwamen dat deze rustige schepsels ook maar een stap buiten de loopwagen waarin ze hen hadden opgesloten durven te doen, tonen ze hen vervolgens het gevaar dat hen bedreigt indien ze proberen alleen te lopen. Nu is dit gevaar in feite niet zo groot. Want ze zouden door vallen en opstaan uiteindelijk wel leren lopen. Maar een geschikt voorbeeld maakt toch schuchter en schrikt gewoonlijk af van alle verdere pogingen."

uit: Kant, Was ist Aufklärung?

terug